Storingen in het algemeen

Veelal wordt er bij storingen primair naar het armatuur gekeken, immers deze doet het niet. Echter er zijn legio mogelijkheden buiten het armatuur, waarom deze het niet doet. De eenvoudigste is dat de installatie-automaat is uitgeschakeld of dat de stop is doorgeslagen. Het hoeft echter niet altijd zo te zijn, dat de werkelijke oorzaak zo boven water te halen is.

Zo kunnen de volgende oorzaken ook een invloed hebben op de levensduur van de gebruikte componenten in verlichtingsarmaturen:
  • omgevingstemperatuur (slecht geventileerde ruimtes, ruimtes achter glas waar de volle zon op staat),
  • lengte van de kabels,
  • hogere harmonischen,
  • slechte verdeling van de groepen over de drie fasen,
  • klapperende nul,
  • afschakelen met de nul,
  • (gecombineerde) installaties groter dan 11 kVA dienen aan zwaardere eisen te voldoen,
  • te krap bemeten installatie(s)(componenten),
  • kabelgoten waar de diverse signaaldragers niet gescheiden van elkaar liggen,
  • bouwspanning/werkspanning (fluctuerend net),
  • onregelmatig/geen onderhoud,
  • geen structuurmatige aanpak van de remplace van de lampen (groepsremplace),
  • elektro-statische ontladingen (ESD), waaronder blikseminslagen, maar ook statisch geladen materialen zoals vloerbedekking,
  • liftinstallaties
  • storingen van het energie-bedrijf, zoals kabelstoringen, storingen in electriciteitshuisjes, schakelfouten, etc. etc.
Tevens veranderen ook de installaties in de loop der tijd. Een inspectie conform NEN 1010 / NEN 3140 kan over de staat van de installatie uitsluitsel geven.

Condensatoren en IC's worden primair door dit soort oorzaken aangedaan en kunnen in een versneld tempo verouderen en niet meer voldoen aan hun functie. Bij conventionele voorschakelapparaten (CVSA) is de schade zo op het eerste gezicht niet te zien. Echter zal het CVSA wel slechter gaan functioneren en meer energie in warmte gaan omzetten en zorgen voor een hoger energieverbruik. Een uitval op relatief korte termijn van CVSA's is meestal al een teken. Andere componenten in de installatie, zoals relais kunnen ook slechter gaan functioneren. Meestal is dit hoorbaar doordat ze gaan brommen.

Het aanwijzen van een lokaal technisch verantwoordelijke in grotere installaties is geen overbodige luxe. Deze kan de storingen die zich voorgedaan hebben in de installatie, zoals uitval van stroom, duur van uitval, eventuele oorzaak hiervan (is ook op te vragen bij het energiebedrijf), bijhouden in een storingsrapport. Ook opmerkingen van bewoners/gebruikers over storingen aan hun eigen installatie / apparatuur dienen hierin opgenomen te worden. Tevens kan deze ook het onderhoud, zoals het vervangen van de lampen en batterijen, adequaat ter hand nemen.

Een goede installatie- en onderhoudshistorie geeft opdrachtgever, installateur en fabrikant de mogelijkheid in gezamenlijkheid te werken naar een passende oplossing.